Het verhaal achter De Blauwe HelLees het boek De Blauwe HelBestel hier het boek De Blauwe HelBekijk de filmtrailer van De Blauwe Hel

  

De pers over De Blauwe Hel:

 

'VERRASSEND!' - De Gelderlander

'SPANNEND' - De Telegraaf

'STERK, ACTUEEL & SPANNEND' - ND

'WAUW, PRACHTIG, GEWELDIG, MOOI, PITTIG, ROMANTISCH, BOEIEND, ONGEKEND GOED, REALISTISCH' - Neema.nl

'SNEL, SPANNEND, ORIGINEEL, ERG AANBEVOLEN' - Bol.com

 

Margje groeit onder moeilijke omstandigheden op. In een liefdeloos huwelijk gevangen, heeft ze een zwaar leven bij haar schoonfamilie op de boerderij. Dramatische gebeurtenissen vinden een
climax in de verdwijning van haar enige kind. Haar lot komt als een onafwendbaarheid. Als Margot een halve eeuw later hoort van dit verhaal, dat zich afspeelde op de plek waar zij nu woont, blijft het haar
intrigeren. Dit tot ergernis van haar schoonfamilie, die alles liever zou laten rusten. De vreemde ontwikkelingen rond het huis, en de observaties door een vreemde man doen er geen goed aan.
Is Margot gek aan het worden, of haalt het verleden haar in? Is het dan echt onmogelijk om een vredig leven op te bouwen rond het natuurgebied met zo’n sinistere naam?

 

 

Voorproefje

 

‘De Blauwe Hel. Waarom heet het eigenlijk zo?’

Margot kijkt schuin omhoog, terwijl ze ondertussen stevig doorloopt.

Ewout lacht; hij houdt van haar directheid, die zich zelfs in haar bewegingen manifesteert.

‘Het heeft iets te maken met het veen dat hier afgegraven is.’

‘Sinistere naam voor zo’n mooi plekje.’ Ze probeert door het dichte bladerdek iets te ontdekken van het natuurgebied. Maar behalve het hek met daarop het bordje ‘verboden toegang’ is er weinig meer te zien dan bomen, en daarachter nog meer bomen.

‘Ben je er weleens in geweest?’

‘Vroeger vaak. Als het gevroren had, gingen we daar schaatsen. Het is er prachtig.’

‘Dus daarachter ligt water?’

‘Ja, een paar kleine vennen achter elkaar.’ Ewout wappert met zijn arm in de goede richting.

‘En zomers, ben je er zomers ooit geweest?’

‘Eén keer stiekem met Rein, maar toen mijn pa erachter kwam hebben we ongenadig op onze donder gehad.’

Margot kijkt nieuwsgierig ‘Ik zou er best eens willen kijken.’

‘Het is gevaarlijk,’ zegt Ewout. ‘Zomers dan, het is moerassig; je kunt erin wegzakken.’

‘Zijn er weleens ongelukken gebeurd?’

‘Mmm. Ik herinner me dat er gezegd werd dat er een man verdronken is.’

‘Jakkes, wat een rotidee.’ Margot huivert. Ze kijkt nog eens achterom, al iets minder gecharmeerd van het natuurschoon.

‘Kende je hem? Woonde hij vlakbij jullie?’

‘Niet zo goed. Hij was een beetje zonderling. Hij woonde aan de rand van dit gebied, maar het huis staat er niet meer.’

‘Had hij geen familie?’

‘Nee, zijn moeder was z’n enige familie en die is een paar jaar later ook overleden.’

‘Wat een verhaal, zeg.’ Margot schudt haar hoofd. ‘Maar die man kan toch ook gewoon vertrokken zijn? Hij hoeft toch niet daar te liggen? Hebben ze hem ooit gezocht?’

‘Ja, ze hebben wel gedregd, geloof ik, maar nooit iets gevonden. Er schijnen wel aanwijzingen in het huis te hebben gelegen waaruit bleek dat hij daar zou kunnen liggen.’

‘En nu is het hele huis dus weg.’

‘Dat heeft de gemeente gedaan. Het bleek dat het er begin vorige eeuw clandestien neergezet was. Er had daar nooit gebouwd mogen worden.’

‘Vandaar dat alle huizen aan de andere kant van de weg staan.’

‘Precies, dus toen hebben ze het na jaren leegstand afgebroken.’

‘Wat een triestigheid. Wat was er met die moeder? Was ze ziek?’

‘Dat weet ik allemaal niet zo exact meer, dat zou je aan mijn ouders moeten vragen. Het was een afschuwelijke toestand, dat weet ik nog wel. Er is jaren over gesproken.’

Margot huivert weer. ‘Je gaat bijna denken dat het gebied zijn naam toch eer aandoet.’ Ewout slaat zijn arm om haar smalle schouders. ‘Nou, eer…? Meer oneer.’

 

De wind greep de luiken van het huis. Hij rukte en trok eraan. Ze zaten vast, maar klapperden vervaarlijk. Ze zouden het wel houden, dacht ze. De wind was tenslotte inmiddels een trouwe metgezel geworden. Hij kwam vaak op bezoek. Als enige.

Gierend vlogen de vlagen om de hoeken van het dak. Terug door de bomen, en weer dansend om het huis. Het dak kreunde, de spanten werden gewrikt. Fluitend kon de wind zijn gang gaan door alle kieren van het oude huis. Misschien wel daarom stond het er nog steeds. Het gaf weinig weerstand. Het liet de kracht toe.

Net als zij. Ze kon ook geen weerstand meer bieden. Het was sterker dan zij, veel sterker. Ze kon niet meer vechten – ze zou toegeven.

Er zou een einde komen aan het gevecht. En de winnaar was bekend. Zij was het niet – maar de strijd was voorbij, dat wel. Voorgoed voorbij op het door haar gekozen moment.

Ze pakte het touw dat ze speciaal daarvoor had opgehangen.